Naar inhoud

Home Nieuws Nieuwe dubbeltelling in het kader van de startbaanverplichting

Terug naar het overzicht

04-06-10 Nieuwe dubbeltelling in het kader van de startbaanverplichting

Vanaf 1 april 2010 geldt er een nieuwe dubbeltelling in het kader van de startbaanverplichting. De VTE-breuk van de startbaners die aangeworven worden met een leerovereenkomst (sbo type 2) of met een gewone deeltijdse arbeidsovereenkomst (minstens halftijds) die gecombineerd wordt met een opleiding (sbo type 3), worden voortaan dubbel geteld. De reeds bestaande dubbeltelling van de jonge werknemers op basis van een handicap of van buitenlandse afkomst blijft ongewijzigd voortbestaan.
De nieuwe dubbeltelling is echter niet cumuleerbaar met de bestaande dubbeltelling.


 

Wat is de startbaanverplichting?

In het kader van de doelgroepvermindering 4 – jonge werknemers – wordt er een RSZ-vermindering voor startbaners toegekend. De jonge werknemers die hiervoor in aanmerking komen, moeten jonger zijn dan 26 jaar, in het bezit zijn van een startbaankaart en ook laaggeschoold zijn. Voor de werkgever zijn er naast de voorwaarden voor deze vermindering nog andere consequenties verbonden aan het verhaal over de startbanen. In 1999 heeft de overheid de zogenaamde startbaanverplichting ingevoerd die ervoor zorgt dat de werkgever een wettelijk vastgesteld aantal jongeren moet tewerkstellen.

Voor welke werknemers van toepassing?

Alle werkgevers uit de openbare sector en privésector die op 30 juni 2005 een personeelsbestand hadden van ten minste vijftig werknemers, moeten een aantal startbaners of jongeren aanwerven. Men telt daarbij in koppen, dus iedere werknemer – ook de deeltijdse – die op 30 juni van het voorafgaande jaar in dienst was, telt mee voor één eenheid.

Werkgevers van de private sector en de openbare sector

Onder de werkgevers van de private sector behoren alle natuurlijke of privaatrechtelijke rechtspersonen (met uitzondering van de werkgevers die behoren tot de non-profit), en de intercommunales en interprovinciales met commerciële of industriële activiteit, de openbare kredietinstellingen en de autonome overheidsbedrijven.
Onder de werkgevers van de openbare sector behoren alle publiekrechtelijke rechtspersonen – met uitzondering van de interprovinciales en de intercommunales met industriële en commerciële activiteit, de openbare kredietinstellingen en de autonome overheidsbedrijven – alsook de werkgevers uit de private sector die behoren tot de non-profit.

Hoe groot is die startbaanverplichting?

Op de werkgevers van de private sector rust er een startbaanverplichting van 3 % van het personeelsbestand tijdens het tweede kwartaal van het voorgaande jaar, uitgedrukt in voltijdse equivalenten (VTE).
De werkgever uit de openbare sector heeft een startbaanverplichting van 1,5 % van het personeelsbestand dat hij in dienst had tijdens het tweede kwartaal van het voorgaande jaar, uitgedrukt in VTE’s.
Het personeelsbestand, berekend in VTE's over het tweede kwartaal van het voorgaande jaar, is de som van de VTE-breuken van de individuele werknemers.
 

Hoe wordt de startbaanverplichting ingevuld?

Zodra de werkgever weet wat de startbaanverplichting is, moet hij ervoor zorgen het vereiste aantal jongeren of startbaners aan te werven. Als de startbaanverplichting bijvoorbeeld 5,5 bedraagt (op basis van de berekening van de gegevens van 2005), moet de werkgever ook zoveel jongeren in dienst hebben gedurende het volledige jaar 2006.
De startbaners of jongeren zijn alle werknemers voor wie de werkgever een of meerdere RSZ-bijdragen verschuldigd is, en dit tot het einde van het kwartaal waarin zij 26 jaar worden, ongeacht of zij al dan niet tewerkgesteld worden met een startbaanovereenkomst. Er zijn drie soorten startbaanovereenkomst:

  • type 1 is een minstens halftijdse arbeidsovereenkomst;
  • type 2 is een combinatie van een minstens halftijdse overeenkomst met een opleiding;
  • type 3 is een leerovereenkomst.

Niet elke aangeworven jongere weegt even zwaar voor het voldoen aan de startbaanverplichting. Afhankelijk van het type overeenkomst waarmee de jongere is aangeworven, en afhankelijk van de categorie waartoe de jongere behoort, zal hij een waarde hebben schommelend van minimaal 0,5 eenheid (VTE) tot maximaal 2 eenheden.

  • De jongeren zonder startbaanovereenkomst en zij die een startbaanovereenkomst van het type 1 hebben, tellen mee in VTE's.
  • Jongeren die een startbaanovereenkomst van het type 2 of 3 hebben, worden als een eenheid beschouwd.
  • Personen met een handicap of personen van buitenlandse afkomst (type 2 of 3) kunnen voor 2 eenheden tellen als hiervan melding wordt gemaakt op hun startbaankaart.

De jongere wordt altijd meegerekend pro rata de duur van de overeengekomen arbeid.

Voorbeeld

Een werkgever uit de private sector heeft op 30 juni 2005 235 werknemers tewerkgesteld (geteld in koppen). Dit betekent dat hij onderworpen is aan de startbaanplicht.
Tijdens het tweede kwartaal 2005 heeft de werkgever een personeelsbestand van 204 VTE’s. De werkgever moet er in 2006 voor zorgen 6,12 VTE’s jongeren in dienst te hebben (204 VTE’s * 3 %).
Stel dat deze werkgever de volgende jongeren al in dienst heeft:

  • 3 jongeren voltijds;
  • 1 jongere voor 75 %;
  • 1 voltijdse allochtoon met startbaanovereenkomst type 1;
  • 1 persoon met handicap voor 50 % type 3.

De berekening van de invulling geeft het volgende resultaat:

  • 3 VTE’s
  • 0,75 VTE
  • 2 VTE’s
  • 2 VTE’s

In totaal heeft de werkgever al 7,75 VTE’s in dienst en hij moet zolang deze tewerkstelling gehandhaafd blijft, geen extra jongeren aanwerven.
 

Vrijstelling

Een aantal categorieën van werkgevers zijn geheel of gedeeltelijk vrijgesteld van de startbaanverplichting als ze aan bepaalde voorwaarden voldoen of een aantal formaliteiten vervullen. We sommen ze op:

  • De onderwijssector. Onder “onderwijssector” wordt verstaan: alle door de overheid opgerichte, gesubsidieerde of erkende onderwijsinstellingen.
  • De non-profitwerkgever of het geheel van werkgevers die tot eenzelfde non-profitsector behoren die een redelijke inspanning heeft geleverd ten gunste van de werkgelegenheid.
  • Plaatselijke besturen, gebonden door een goedgekeurd saneringsplan of beheersplan dat een inkrimping van het personeel oplegt.
  • Plaatselijke besturen en non-profitondernemingen in financiële moeilijkheden.
  • Ondernemingen in moeilijkheden.
  • De ondernemingen of sectoren die een redelijke inspanning hebben geleverd ten gunste van de werkgelegenheid.
  • De ondernemingen die geconfronteerd worden met een geleidelijke afbouw van het personeelsbestand.

Bijzondere bepalingen

Daarnaast zijn er nog een aantal bijzondere bepalingen voor seizoensondernemingen en een groep van werkgevers (dit is een technische bedrijfseenheid die uit verschillende juridische entiteiten bestaat die een economische en sociale samenhang hebben). Ook zijn er bijzondere bepalingen van toepassing op een gefuseerde onderneming en op een gesplitste onderneming. Zij kunnen alle met de minister van werk een tewerkstellingsovereenkomst sluiten. Hiertoe moeten ze een aparte procedure volgen.
 

Wat Acerta voor u kan doen!
Profiel
HR GPS
Talent Twister
Nieuws
Infosessies
Opleidingen
Kennisbank
Documenten
Publicaties
Onderzoeken
Tools
Brochures
Diensten
HR Services
HR BPO
Payroll Services
Social Profit
Public
Acerta Internationaal
Medische Controles
Over Acerta
Mijn profiel