28-05-10 Crisismaatregelen worden verlengd tot september 2010
Sinds begin dit jaar ontvangt elke arbeider die wordt ontslagen een zgn. crisispremie van 1.666 euro. De vele vragen die de invoering van deze nieuwe premie opwierpen, beginnen intussen langzamerhand antwoorden te krijgen.
- Bronnen
- De premie in grote lijnen
- Wie krijgt de premie (niet) ?
- Wie betaalt wat?
- Hoe aanvragen?
- KB van 11 februari 2010 (B.S. 16 februari 2010) : ondernemingen met minder dan 10 werknemers
Bronnen
Wet van 30 december 2009 houdende diverse bepalingen, B.S. 31 december 2009, 3e ed.;
K.B. 11 februari 2010 betreffende de uitvoering van artikel 153, §2, van de wet van 30 december 2009 houdende diverse bepalingen, betreffende de erkenning als onderneming in moeilijkheden van de ondernemingen met minder dan 10 werknemers, B.S. 16 februari 2010, 2e ed.;
K.B. 15 februari 2010 tot uitvoering van artikel 154 van de wet van 30 december 2009 houdende diverse bepalingen, betreffende de crisispremie, B.S. 19 februari 2010;
Wet van 28 april 2010 houdende diverse bepalingen, B.S. 10 mei 2010;
Wet van 19 mei 2010 houdende fiscale en diverse bepalingen, B.S. 28 mei 2010, 2e ed.
De premie in grote lijnen
De bedoeling van de invoering van deze crisispremie bestond erin om de arbeiders in deze crisistijden een bijkomende bescherming tegen ontslag te bieden. In principe heeft elke arbeider die wordt ontslagen in de periode van 1 januari tot 30 september 2010 recht op een premie van 1.666 euro. Voor deeltijdse arbeiders geldt dit bedrag pro rata hun tewerkstellingsbreuk.
Deze premie komt bovenop de normale opzeggingstermijnen of verbrekingsvergoedingen die verschuldigd zijn.
Op deze premie is geen RSZ verschuldigd en zij is ook vrij van belastingen. Het gaat dus om een nettobedrag voor de werknemer, en ook voor de werkgever komt er niets bovenop.
In eerste instantie gold de regeling m.b.t. de crisispremie tot 30 juni 2010, maar zij werd verlengd tot 30 september 2010. De regering kan ze bovendien nog één maal verlengen tot 31 december 2010.
Wie krijgt de premie (niet) ?
Deze premie is bedoeld voor alle arbeiders die verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst voor werklieden in de zin van de Wet op de Arbeidsovereenkomsten van 3 juli 1978 die ontslagen worden in de periode van 1 januari 2010 tot 30 september 2010.
Om recht te hebben op de crisispremie mag de arbeider niet ontslagen zijn om dringende reden. Ook contracten van bepaalde duur of een bepaald werk die aflopen op hun einddatum, vallen buiten deze reglementering omdat we hier strikt genomen niet met een ontslag zitten. Wordt een contract van bepaalde duur evenwel vroegtijdig verbroken, zal de crisispremie wel verschuldigd zijn.
De maatregel van de crisispremie is ook niet van toepassing wanneer het contract wordt beëindigd in volgende gevallen :
- gedurende de proefperiode;
- in het kader van het pensioen;
- in het kader van het brugpensioen;
- in het kader van een herstructurering indien de arbeider zich kan inschrijven in een tewerkstellingscel, en voor zover hij op het tijdstip van de mededeling door de werkgever van de intentie tot collectief ontslag ten minste één jaar ononderbroken anciënniteit heeft.
Wie betaalt wat?
3.1. De algemene regel
De regel is dat de RVA 2/3 van de premie voor haar rekening neemt (oftewel 1.111 euro), en u als werkgever het andere 1/3 (oftewel 555 euro).
3.2. De RVA betaalt alles
In een aantal gevallen neemt de RVA echter de volledige premie van 1.666 euro voor haar rekening:
- arbeiders die minder dan 6 maanden anciënniteit hebben in de onderneming;
- arbeiders die ontslagen worden en zich kunnen inschrijven in een tewerkstellingscel, maar die geen recht hebben op een inschakelingsvergoeding binnen de tewerkstellingscel omdat ze minder dan 1 jaar anciënniteit hebben in de onderneming;
- arbeiders die ontslagen werden in de periode van 1 januari tot 31 maart 2010 en waarvoor de werkgever in de periode van 1 oktober 2009 tot de dag vóór de kennisgeving van het ontslag gebruik heeft gemaakt van de collectieve arbeidsduurvermindering of van het crisistijdskrediet;
- arbeiders die ontslagen werden in de periode van 1 april tot 30 juni 2010 en waarvoor de werkgever in de periode van 1 januari 2010 tot de dag vóór de kennisgeving van het ontslag gebruik heeft gemaakt van de collectieve arbeidsduurvermindering of van het crisistijdskrediet in toepassing van de Crisiswet van 19 juni 2009;
- arbeiders die ontslagen werden in de periode van 1 januari tot 31 maart 2010 en die in de periode van 1 oktober 2009 tot de dag vóór de kennisgeving van het ontslag economisch werkloos zijn gesteld, in functie van de arbeidsregeling gedurende ten minste 4 weken wanneer de arbeider minder dan 20 jaar anciënniteit heeft in de onderneming, of gedurende ten minste 8 weken wanneer de arbeider minstens 20 jaar anciënniteit heeft in de onderneming op het ogenblik van de kennisgeving van het ontslag;
- arbeiders die ontslagen werden in de periode van 1 april tot 30 juni 2010 en die in de periode van 1 januari 2010 tot de dag vóór de kennisgeving van het ontslag economisch werkloos zijn gesteld, in functie van de arbeidsregeling gedurende ten minste 4 weken wanneer de arbeider minder dan 20 jaar anciënniteit heeft in de onderneming, of gedurende ten minste 8 weken wanneer de arbeider minstens 20 jaar anciënniteit heeft in de onderneming op het ogenblik van de kennisgeving van het ontslag;
- ondernemingen met minder dan 10 werknemers die in economische moeilijkheden zijn, maar die bovenstaande maatregelen niet kunnen inroepen, kunnen aan de Commissie Ondernemingsplannen vragen dat de RVA de volledige premie voor haar rekening zou nemen.
- De exacte details werden bij Koninklijk Besluit geregeld, en worden verderop in dit artikel onder 5) besproken.
Het is niet duidelijk in hoeverre de datum van 30 juni in bovenvermelde situaties ook (stilzwijgend) verlengd werd tot 30 september 2010.
3.3. De werkgever betaalt alles
Oorspronkelijk was er één situatie waarbij de werkgever de volledige premie van 1.666 euro zelf moest betalen, namelijk wanneer hij de opzeg of de verbreking niet via deurwaardersexploot of via aangetekend schrijven ter kennis had gebracht van de werknemer in kwestie.
Deze nieuwigheid zorgde meteen voor reacties, en is nu uit de wetgeving verdwenen, en dit met terugwerkende kracht tot 1 januari 2010. Voortaan is er dus geen enkele situatie meer waarbij de werkgever de volledige crisispremie zou moeten betalen.
Werkgevers die toch reeds de volledige crisispremie betaald hebben, kunnen het teveel betaalde bedrag van 1.111 of 1.666 euro terugvorderen bij de RVA. Er moet echter nog een koninklijk besluit worden uitgevaardigd om de modaliteiten van die terugbetaling vast te leggen.
Hoe aanvragen?
Een aanvraag van crisispremie moet als volgt gebeuren.
De werkgever die overgaat tot ontslag van een arbeider die recht heeft op een crisispremie moet deze arbeider spontaan en uiterlijk de laatste arbeidsdag een formulier Bijlage-C4-Crisispremie overhandigen. Daarop moeten de nodige gegevens worden ingevuld die nodig zijn om de RVA toe te laten na te gaan in hoeverre zij moet tussenkomen in de betaling van de premie. Met dit formulier moet de arbeider zich aanbieden bij zijn uitbetalingsinstelling. Dit moet gebeuren ten vroegste vanaf de dag volgend op de uitdiensttreding en uiterlijk binnen de zes maanden te rekenen vanaf de dag volgend op de einddatum van de periode die door loon of door een opzeggingsvergoeding is gedekt.
Een werkgever met minder dan 10 werknemers en die in economische moeilijkheden is, en die een aanvraag tot vrijstelling van betaling heeft gedaan maar nog geen antwoord heeft ontvangen, moet dit als zodanig aanduiden op het formulier. Wanneer hij bericht heeft ontvangen van de Commissie Ondernemingsplannen, moet hij ofwel de 555 euro aan de werknemer betalen (bij weigering), ofwel een nieuw formulier Bijlage-C4-Crisispremie afleveren aan de werknemer die daarmee bij zijn uitbetalingsinstelling de betaling van de resterende 555 euro kan vorderen.
Voor wat betreft het deel van de premie dat door de werkgever moet worden betaald, zijn geen formaliteiten bepaald.
KB van 11 februari 2010 (B.S. 16 februari 2010) : ondernemingen met minder dan 10 werknemers
5.1. Wanneer is men een onderneming met minder dan 10 werknemers ?
Het gaat over ondernemingen die gedurende de periode van het vierde kwartaal van 2008 tot en met het derde kwartaal van 2009 gemiddeld minder dan 10 werknemers hebben tewerkgesteld.
Dat gemiddelde wordt bepaald door het totaal van de op het einde van elk kwartaal van de referteperiode aangegeven werknemers te delen door het aantal kwartalen waarvoor de werkgever werknemers heeft aangegeven. Het gaat dus om een berekening in koppen, en niet in FTE’s.
5.2. Wanneer is men in economische moeilijkheden ?
Een onderneming wordt geacht in economische moeilijkheden te zijn als ze valt onder één van volgende categorieën :
- het feit dat een werkgever gebonden is door een ondernemingsplan dat goedgekeurd is door de Commissie Ondernemingsplannen;
- het feit dat een werkgever gebonden is door een CAO zoals voorzien in de Crisiswet en dat hij in 2010 gebruik heeft gemaakt van één van de twee anticrisismaatregelen (crisistijdskrediet of tijdelijke werkloosheid voor bedienden);
- het feit dat de onderneming een substantiële daling kent van minimum 15 % van de omzet, de productie of de bestellingen tijdens het kwartaal dat voorafgaat aan de aanvraag tot afwijking, vergeleken met hetzelfde kwartaal van 2008;
- het feit dat de onderneming tijdens het kwartaal voorafgaand aan de aanvraag tot afwijking een aantal dagen van economische werkloosheid kent van ten minste 10 % van het globaal aantal aan de RSZ aangegeven dagen;
- het feit dat de onderneming in de twee boekjaren die de datum van de aanvraag voorafgaan vóór belastingen, een verlies uit de gewone bedrijfsuitoefening boekt, wanneer voor het laatste boekjaar dit verlies het bedrag van de afschrijvingen en de waardevermindering op oprichtingskosten, op immateriële en materiële vaste activa overschrijdt;
- het feit dat een zaakvoerder, bestuurder of werkende vennoot van de onderneming de toekenning verkreeg van de uitkering bedoeld in diverse KB's i.v.m. de invoering van een sociale verzekering ten gunste van zelfstandigen, in geval van faillissement, en van gelijkgestelde personen;
Bovendien wordt aangetoond dat deze uitkering werd verkregen op grond van minstens één van de volgende criteria:
- de onderneming verkreeg in het kader van een gerechtelijke reorganisatie van de rechter, in de periode van 1 juli 2009 tot en met 30 juni 2010, een vonnis tot openverklaring van de procedure van gerechtelijke organisatie, tenzij toepassing van artikel 40 of 41 van de wet betreffende de continuïteit van de ondernemingen (verzaking of voortijdige beëindiging);
- uit zijn btw-aangiftes of de btw-aangiftes van zijn onderneming met betrekking tot het derde of vierde kwartaal 2008, of één van de kwartalen van 2009 blijkt dat de omzet van zijn onderneming of, wanneer de zelfstandige meerdere ondernemingen heeft, de totale omzet van die ondernemingen samen, gedaald is met minstens 50 % ten opzichte van het respectievelijke kwartaal het jaar ervoor;
- hij heeft ten vroegste op 1 juli 2008 en ten laatste op 31 december 2009 een afbetalingsplan voor de betaling van zijn schulden m.b.t. sociale bijdragen voor werknemers verkregen;
- zijn schulden m.b.t. sociale bijdragen voor werknemers maakten ten vroegste op 1 juli 2008 en ten laatste op 31 december 2009 het voorwerp uit van een dwangbevel of dagvaarding;
- hij kan aantonen dat zijn vennootschap beschikte over een kaskrediet dat in de periode tussen 30 juni 2008 en 1 juli 2010 door de financiële instelling werd opgezegd;
- 50 % van het omzetcijfer van de zelfstandige of dat van zijn vennootschap voor de periode van 1 juli 2008 t.e.m. 30 juni 2009 of van 30 juni 2009 t.e.m. 1 juli 2010 komt van ondernemingen die failliet, of in gerechtelijke reorganisatie verklaard werden, of nog, van zelfstandigen die in collectieve schuldenregeling verklaard werden, tijdens de periode van 1 juli 2008 t.e.m. 30 juli 2009 of van 30 juni 2009 t.e.m. 1 juli 2010;
- uit zijn btw-aangiftes of de btw-aangiftes van zijn vennootschap m.b.t. het tweede, derde of vierde kwartaal van 2009 blijkt dat de omzet van zijn onderneming of totale omzet van al zijn ondernemingen samen, met minstens 60 % is gedaald, to.v. respectievelijk het tweede, derde of vierde kwartaal van 2007;
- het feit dat de onderneming failliet is.
5.3. Hoe vraagt men de afwijking aan ?
Er is voor geopteerd om de aanvraagprocedure zo eenvoudig mogelijk te houden. Een aanvraag kan dus niet alleen aangetekend maar ook via e-mail verstuurd worden naar de directeur-generaal van de Algemene Directie collectieve arbeidsbetrekkingen van de FOD WASO.
Bij die aanvraag moeten bovendien geen bewijsstukken worden meegestuurd, de werkgever moet op eer verklaren dat zijn onderneming economische moeilijkheden kent. Op vraag van de Commissie Ondernemingsplannen moet hij wel de nodige bewijsstukken kunnen voorleggen. Het is wel de bedoeling dat de Commissie geen gegevens opvraagt die al beschikbaar zouden zijn bij andere publieke overheden.
Het gaat om volgende bewijsstukken :
- is de werkgever gebonden door een goedgekeurd ondernemingsplan, moet hij het neerleggingsnummer van dit plan meedelen;
- is hij gebonden door een CAO op ondernemingsvlak, bezorgt hij het registratienummer ervan;
- is hij gebonden door een sectorale CAO, legt hij het nummer van het Paritair Comité voor, evenals een kopie van de documenten doorgestuurd aan de RVA die de toepassing van één van beide crisismaatregelen bevestigen;
- de werkgever die het criterium van een substantiële daling van minimum 15 % van de omzet, de productie of de bestellingen inroept, moet dit bewijzen aan de hand van de btw-aangiftes van de betreffende kwartalen voor wat betreft de omzet, of door andere bewijskrachtige documenten, zoals boekhoudkundige stukken zoals voorzien in de Crisiswet voor wat betreft de vermindering van de productie of de bestellingen;
- de werkgever die de economische werkloosheid inroept, moet het bewijs hiervan leveren door een verklaring op eer;
- de werkgever die zich beroept op het criterium van onderneming in moeilijkheden moet de jaarrekeningen meedelen van de twee boekjaren die voorafgaan aan de periode waarvoor de erkenning is aangevraagd. Wanneer de jaarrekening niet beschikbaar is, volstaat een voorlopige jaarrekening of een attest van de boekhouder;
- de werkgever die zich beroept op het criterium van onderneming in moeilijkheden op basis van het feit dat een zaakvoerder, bestuurder of werkende vennoot de toekenning verkreeg van een uitkering i.v.m. de invoering van een sociale verzekering ten gunste van zelfstandigen, in geval van faillissement, en van gelijkgestelde personen, moet het bewijs voorleggen dat de persoon die de uitkeringen toegekend kreeg, effectief zaakvoerder, bestuurder of werkend vennoot is van de onderneming, en dat hij die uitkeringen verkreeg op basis van één van de in het KB genoemde criteria.
De directeur-generaal bezorgt de aanvraag aan de Commissie, die binnen de twee weken na ontvangst van de aanvraag een beslissing neemt op basis van de volgende criteria:
- de onderneming is een onderneming met minder dan 10 werknemers;
- de onderneming kent economische moeilijkheden.
De gemotiveerde beslissingen van de Commissie worden door de directeur-generaal overgemaakt aan de betrokken ondernemingen en een kopie aan de RVA.
5.4. Inwerkingtreding
Deze nieuwe regeling treedt in werking op 16 februari. Niettemin kunnen aanvragen tot vrijstelling nog gebeuren voor ontslagen die eerder dit jaar hebben plaatsgevonden.





